14. Neerwaartse spiraal

De Israëlieten deden wat slecht is in de ogen van de HEER: ze vergaten de HEER, hun God, en dienden de Baäls en de Asjera’s. De HEER werd woedend op de Israëlieten en leverde ze uit aan Kusan-Risataïm, de koning van Aram-Naharaïm; acht jaar moesten ze hem dienen. De Israëlieten riepen de HEER te hulp, en de HEER zond iemand om hen te bevrijden: Otniël, een zoon van Kalebs jongere broer Kenaz. Gedreven door de geest van de HEER trad hij op als rechter over Israël. Hij trok ten strijde, en de HEER leverde koning Kusan-Risataïm van Aram aan hem uit, zodat hij hem een zware nederlaag kon toebrengen. Veertig jaar had het land rust. Toen stierf Otniël.

Weer deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de HEER.

 Rechters 3:7-12

 

 In de tijd dat de rechters het volk leidden…

 Ruth 1:1

 Aan het eind van zijn leven, roept Jozua het volk bij elkaar en blikt terug op alles wat God voor ze gedaan had. Hij zegt er duidelijk bij dat hij en zijn familie de Here zullen dienen en het volk antwoordt dat zij ook trouw zullen blijven (Jozua 24:1-28). Als je jezelf een beetje kent, hoef je je niet te verbazen wanneer je ontdekt dat het volk van de Heer weg dwaalt na Jozua’s sterven. Het wordt een tijd dat er geen nationale leider is of een centraal bestuur, zonder eenheid tussen de stammen. Militaire successen worden een fiasco, morele onverschilligheid krijgt de overhand. Het verwaarlozen van de band met God trekt z’n sporen in de samenleving.

Toch laat God zijn volk niet in de steek. Ze zijn Hem ongehoorzaam en Hij laat toe dat ze verslagen worden door hun vijanden. Maar Hij antwoordt op hun hulpgeroep door een ‘rechter’ in te schakelen, die bevrijding brengt – waarna het volk weer van God weg draait. Dit patroon zie je in het verhaal van de eerste van deze bevrijders in Rechters 3:7-12, maar dit herhaalt zich door het hele boek.

Het wordt een neerwaartse spiraal. De laatste hoofdstukken (Rechters 17-21) tekenen hoe het sociale leven kapot gaat door afgoderij, wetteloosheid en burgeroorlog. Het afschuwelijke verhaal van de groepsverkrachting en het in stukken snijden van een vrouw zonder naam (19:1-30) schokt en doet je beseffen hoe erg het volk van God gefaald heeft in haar roeping om een heilig volk te zijn. Iedereen doet wat goed is in zijn eigen ogen (17:6). En er is geen rechter die in staat is om deze spiraal te doorbreken. Het refrein – “Israël had geen koning” (17:6; 18:1; 19:1; 21:25) – maakt duidelijk dat er iets heel anders nodig was.

Er is wreedheid, maar er is ook zegen. Het eerste vers van het boek Ruth nodigt ons uit om haar verhaal te lezen in het licht van wat wij weten over de tijd van de rechters. Al lezend verandert de schaamteloze, gewelddadige behandeling van een vrouw in respectvolle omgang met vrouwen. En door dit alles werkt de soevereine God zijn bedoeling uit, door een buitenlandse uit Moab in te voegen in zijn verbondsvolk – iemand die een teken is van Gods belofte om de volken te zegenen, en uit haar komen ook koning David (Ruth 4:17-22) en Jezus zelf (Matteüs 1:1-5) voort.

 Om te malen…

  1. Vergelijk de gebeurtenissen van het boek Rechters eens met onze eigen situatie in het Westen, waar het voor een groot deel een ‘prive-zaak’ is geworden wat goed en kwaad is.
Advertenties

13. Aan de grens

Wees vastberaden en standvastig, want jij moet dit volk leiden wanneer ze het land veroveren dat ik hun zal geven, zoals ik hun voorouders gezworen heb. En houd je vóór alles vastberaden en standvastig aan de wet waarin mijn dienaar Mozes je heeft onderwezen. Houd je daar altijd aan en wijk er op geen enkele manier van af, opdat je in alles wat je doet zult slagen.

Jozua 1:6-7

Het kan een prettig idee zijn om het oversteken van de Jordaan te zien als sterven, en Kanaän als de hemel. Maar de aankomst van Israël in het land was geen eindpunt, maar een begin. Het was het begin van Gods volk dat leefde in Gods beloofde land, volgens Gods wet, tussen de volken om hen heen.

Hier is een nieuwe kans om de Here te dienen. Mozes had het volk gewaarschuwd dat Gods zegen op hen zou blijven zolang ze Hem gehoorzaam waren. De wet, met zijn nadruk op persoonlijke en gemeenschappelijke heiligheid, had God ze gegeven voor hun eigen welzijn, om ze te maken tot een gemeenchap die toegewijd was aan rechtvaardigheid, gulheid en rentmeesterschap. En dat in een land waarin ieder onbezorgd kon wonen onder zijn wijnrank en vijgenboom (1 Koningen 5:5). Geen wonder dat God Jozua aanspoort om sterk en moedig te zijn, met Kanaän voor ogen aan de andere kant van de Jordaan: “Zoals ik Mozes heb bijgestaan, zo zal ik ook jou bijstaan. Ik zal niet van je zijde wijken en je niet verlaten” (Jozua 1:5).

 Het kan best moeilijk voor ons zijn om verhalen te lezen over het volk van God dat inwoners van Kanaän uitroeit. Maar de verovering van het land is niet uit te leggen met etnische redenen of omdat Israël moreel zo voortreffelijk was. Vanuit Gods rechtvaardigheid gezien wordt Israëls optreden tegen de Kanaäniten gezien als een goddelijk oordeel over kwaad (zie Genesis 15:16; Deuteronomium 9:4-6; 12:29-31). Ook moet je deze gebeurtenissen in Gods reddingsplan zetten, waarbij God alle volken op het oog had, niet alleen Israël: als vervulling van zijn belofte aan Abraham plant God zijn volk in een land waar ze onder zijn gezag kunnen leven, om tot een zegen voor de hele wereld te zijn.

 De verhalen uit het Oude Testament zijn een rijke bron van verbeelding en inspiratie voor de kerk door alle tijden heen. En dan vooral de verhalen van de uittocht uit Egypte en de woestijnreis. De schrijvers van het Nieuwe Testament vatten dit op als historische gebeurtenissen, die een model vormen voor de manier waarop God zijn volk redt en ‘rust’ geeft (Hebreeën 3:7 – 4:13), en ze dienen als voorbeelden en waarschuwingen voor ons (1 Korinte 10:1-13).

Zo spelen wij, christenen, vandaag onze rol in Gods reddingswerk dat steeds verder gaat. Gered door Christus en door de kracht van de Geest worden we geroepen om Gods nieuwe gemeenschap te zijn in onze cultuur, met zijn eigen verleidingen en problemen. We moeten rechtvaardig leven, sterk en moedig, aangevuurd door de belofte “Ik zal niet van je zijde wijken en je niet verlaten”.

 Om te malen…

  1. Sta even stil bij Jozua 1:8, met zijn oproep om Gods wet dag en nacht te overdenken. Daarin hoor je andere bijbelgedeelten terug (Deuteronomium 17:18-20; Psalm 1:2). Op welke manier is onze vrijmoedigheid waar God ons toe roept verbonden met ons dagelijks bezig zijn met Gods Woord?
  2. Hoe kunnen wij in onze eigen omgeving ‘sterk en dapper’ zijn in het hooghouden van de unieke en machtige claims van God?
  3. Welk beeld vind je passender voor het christelijk leven: als ‘zwerven in de woestijn’ of als ‘leven in het land’?

12. Heilig, heilig, heilig

De HEER zei tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Ik ben de HEER, jullie God. Volg niet de levenswijze van de Egyptenaren, bij wie je gewoond hebt, noch de levenswijze van de Kanaänieten, naar wie ik je breng. Leef niet volgens hun bepalingen, maar volgens mijn regels, houd je aan mijn bepalingen en leef ze na. Ik ben de HEER, jullie God. Mijn bepalingen en regels schenken leven aan wie ze volgt, houd ze dus in ere. Ik ben de HEER.”‘

De HEER zei tegen Mozes: ‘Zeg tegen de gemeenschap van Israël: “Wees heilig, want ik, de HEER, jullie God, ben heilig.”‘

(Leviticus 18:1-5; 19:1-2)

Het leven van het volk van God moet Gods eigen karakter uitdrukken: “Wees heilig, want IK, de HEER, jullie God, ben heilig.” De uitgebreide lijst van voorschriften in Leviticus maakt duidelijk dat de heiligheid te maken heeft met alle stukjes van het leven, niet alleen de ‘religieuze’ kanten.

  • Heiligheid heeft dus niet tot gevolg dat jij je terug trekt uit de wereld, maar het gaat er vanuit dat jij elke dag in de wereld leeft, als onderdeel van het ritme van weken, maanden en seizoenen;
  • heiligheid is niet alleen iets voor een elite, maar bedoeld voor heel Gods volk;
  • heiligheid is geen privé-ervaring, maar heeft te maken met leven en werken in een gemeenschap.
  • Heiligheid gaat ook niet over een of ander zweverig bestaan, afgesloten van het rommelige leven. Juist niet! Heiligheid gaat over leven elke dag – in het werken met gewassen, het onderhouden van de grond, het kopen en verkopen van goederen; in het omzien naar ouders, de sabbatsrust in acht nemen en zorgen voor de armen; in hoe je werkt, wat je eet en met wie je slaapt – elke dag bewust je onderscheiden van culturele normen, omdat je wel in de wereld leeft, maar niet als de wereld.

Dit alles voer je uit als onderdeel van je eredienst aan een heilige God.

“IK ben de HEER, jullie God” herinnert het volk Israël eraan dat het allemaal begint met bevrijding en relatie vóór regels. De wet houdt verband met een toewijding om hun Heer te dienen, om een apart gezet volk te zijn en om hun leven met elkaar daarnaar te organiseren. En dat allemaal met het oog op het hogere doel: om Gods beloften aan Abraham te vervullen en de roeping aan het volk om een koninkrijk van priesters te zijn, in het belang van de wereld.

Mocht je gaan wanhopen, omdat je weet dat de Israëlieten niet in staat waren om volgens hun roeping te leven, Leviticus gaat uit van de werkelijkheid en de gevolgen van de zonde en treft voorzieningen voor herstel door offers.

Natuurlijk verandert het nieuwe verbond de nodige dingen, maar de roeping om een volk te zijn dat door God apart is gezet blijft staan (1 Petrus 1:13-16; 2:9-10), en daarmee de roeping om dingen anders te doen dan gewoon is om je heen. Als we die roeping volgen, mogen we verwachten dat de wetten onze morele overtuiging vormen. Want deze wetten komen op uit Gods heilige karakter en drukken zijn denken over zijn volk uit, terwijl wij leven voor het oog van de wereld in het belang van de wereld.

 Om te malen…

  1. Lees Leviticus 18-20 en maak een samenvatting van de wetten die daarin genoemd worden. Noteer verrassingen, overdenk het, alleen of met anderen. Zoek eens de echo’s van Leviticus op in 1 Petrus 1:13-16 en 2:9-10. Hoe vertaalt Petrus heiligheid voor de christenen aan wie hij schrijft?
  2. Hoe zou jij reageren op iemand die beweert dat de wetten in Leviticus zo sterk onderdeel zijn van de cultuur van toen, dat ze vandaag geen waarde meer hebben?

11. Twee-richtings-verkeer

Mozes ging de berg op, naar God. De HEER riep hem vanaf de berg toe: ‘Zeg tegen het volk van Jakob, laat de kinderen van Israël weten: “Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht. Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken – want de hele aarde behoort mij toe. Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.” Breng deze woorden aan de Israëlieten over.’

(Exodus 19:3-6)

 Ze waren nog maar drie maanden weg uit Egypte. Deze rommelige groep van ex-slaven in de woestijn van Sinaï kwamen op een bepalend moment in hun geschiedenis. De Heer begon ze tot een volk te maken, waarmee Hij de belofte aan Abraham waar maakte. Daar bij de Sinaï maakt Hij een verbond met zijn volk dat door de hele bijbel heen zingt. “Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht. ” (1 Petrus 2:9), Hiermee grijpt Petrus terug op deze woorden uit Exodus.

Dit moment van levensveranderende toewijding leek wel op een huwelijkssluiting of een doop. Het vroeg voorbereiding, formele beloften voor familie en gemeenschap, en het besef dat het breken van de beloften verregaande gevolgen zou hebben. Daarom waste het volk van Israël zich, onthield zich van seks, en de Heer kwam naar ze toe met donder, bliksem en donkere wolken.

Toen zei Hij: “Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd. Vereer naast mij geen andere goden.” – het begin van de tien geboden (Exodus 20:2-3). Dit betekende geen nieuwe slavernij. Het herstelde juist voor de Israëlieten alles wat de slavernij in Egypte kapot had gemaakt – vrijheid van afgoden, vrij om met waardigheid te werken en tijd vrij te nemen, vrijheid om goede familie-verhoudingen te onderhouden, vrijheid om goede gezagsverhoudingen in te richten, vrijheid om huizen en vee te bezitten en het bezit van anderen te respecteren. De geboden waren gericht op individuen in de gemeenschap, ieder individu met de verantwoordelijkheid om deze voorwaarden te onderhouden, zodat iedereen levensruimte had. Deze geboden wijzen de weg voor bevrijdde mensen (het volk Israël was bevrijd uit slavernij!), en zijn niet het middel om bevrijd te worden. De roeping om een koninkrijk van priesters te zijn, een heilig volk, was een roeping om rechtvaardig actief te zijn, en zo Gods karakter uit te drukken aan de wereld. De hele wereld is van Hem, en zijn volk moest een licht voor de volken zijn door alleen Hem te dienen. Tegelijk zou geen van deze mensen die bij de berg Sinaï stonden het beloofde land binnen trekken; ze zouden falen, en de rest van de bijbel laat zien hoeveel meer falen er zou zijn voordat God zijn Zoon stuurde als de Redder van de wereld, om een nieuw verbond te beginnen.

 Om te malen…

  1. De tien geboden hebben een negatief imago in de samenleving, ook al kunnen de meesten maar een of twee van die geboden opnoemen. “Allemaal negatieve geboden, ‘gij zult niet…’” , zeggen mensen. Denk eens na over de positieve aanmoediging van deze geboden om te werken aan een samenleving, waarin onderlinge steun is en bloei.
  2. Denk eens na over jouw belofte van toewijding tegenover echtgeno(o)t(e), kinderen, familie of mede christenen. Misschien moet je wel wat falen corrigeren?
  3. Lees Hebreeën 12:18-29 en 2 Korinte 3:7-18 over het grote belang van Sinaï en de relatie daarvan met de heerlijkheid van het nieuwe verbond

10. Laat mijn volk gaan

De HEER zei: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, ik weet hoe ze lijden. Daarom ben ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden, en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen, een land dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. 

 (Exodus 3:7-8)

400 jaar zijn voorbij, sinds Jakobs familie z’n toevlucht zocht in Egypte, omdat er hongersnood was. De omstandigheden zijn nu verandert en zijn nageslacht leeft in slavernij in Egypte. Zouden ze zich nog vatsgrijpen aan de belofte die God aan Abraham deed? Zouden ze nog een vaag besef hebben van hun bestemming?

Maar God… Door het hele verhaal van de bijbel heen, komt dit terug: Maar God… Het verhaal van de uittocht laat God zien als de Regisseur met honderden uitvoerenden, waarin ieder zijn rol zal spelen. De Hebreeuwse vroedvrouwen en Mozes’ ouders, en even later de dochter van de Farao, zorgen ervoor dat Mozes het overleeft en dat hij een bevoorrechte positie krijgt aan het hof van de Farao. Dan verschijnt Mozes op het toneel en krijgt de ongewenste rol van held en bevrijder. Ondertussen is de belangrijkste die in dit drama optreedt God zelf; en als Heer van hemel en aarde demonstreert hij zijn macht over de hele schepping – zichtbaar in de plagen, die een aanval zijn op de Egyptische goden (zie Exodus 12:12; Numeri 33:4).

Op de laatste avond, als de laatste plaag de farao op z’n knieën zal brengen, krijgen de Israëlieten een bijzondere instructie: ze moeten een maaltijd klaar maken van lam, bittere kruiden en ongedesemd brood. Verder moeten ze hun deurposten insmeren met het bloed van het lam. Zo begon het Paschafeest – omdat de Vernietiger voorbij zou gaan aan de huizen waar het bloed op de deurposten gesmeerd was. Dit feest moesten de Israëlieten voortaan elk jaar vieren om te gedenken. En het joodse volk heeft dat sindsdien gedaan.

Dit Pascha doet je denken aan de machtige roep en het reddend optreden van God, maar ook aan de identiteit en bestemming van zijn volk . Als zijn uitgekozen volk, zouden ze een erfenis ontvangen en een zegen zijn voor de wereld. Die zegen zou uiteindelijk pas echt de hele wereld bereiken na Gods tweede grote bevrijding. “Ons pesachlam, Christus, is geslacht” (1 Korinte 5:7), verklaard Paulus. Zo zouden alle volken door Jezus Christus delen in de zegen van Abraham (Galaten 3:14).

Dus Gods bedoeling voor ons vandaag is niet alleen om een zegen te ontvangen, maar dat wij ook die zegen doorgeven, waar God ons geplaatst heeft.

 Om te malen…

  1. De exodus wordt vaak gezien als een voorproefje van Jezus’ reddingswerk aan het kruis. Neem tijd om God ervoor te danken dat “Hij ons heeft gered uit de macht van de duisternis en ons overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon” (Kolossenzen 1:13)
  2. Hoe kunnen wij vandaag door onze woorden en daden een zegen zijn voor anderen?

9. Renovatie

De HEER zei tegen Abram:
‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen.
Ik zal je tot een groot volk maken, ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn. Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou bespot, zal ik vervloeken.
Door jou zullen alle volken op aarde gezegend worden.’
(Genesis 12:1-3)

Door de neerwaartse spiraal van Genesis 3-11 heen flitsten momenten van Gods genade: Hij beloofde de vernietiting van de slang, Hij voorzag Adam en Eva van kleren, Hij gaf Kaïn een beschermend teken, Hij redde Noach en zijn familie, Hij onderstreepte zijn zegen over de schepping en de mensheid na de zondvloed. Zelfs bij het dieptepunt van de torenbouw van Babel, toen ze een ‘naam voor zichzelf’ wilden maken, is oordeel niet het laatste woord: God wijst de volken niet af, maar kiest één familie met het oog op de volken, om zegen weer bij de volken te laten uitkomen.

Dat God ons niet aan onze eigen kuren over laat, zie je in de belofte aan Abraham, waarin drie keer gesproken wordt over renovatie: land, nageslacht en zegen. Tegelijk is de verzekering van een groot volk en een woonplek niet de grootste renovatie. Gods bedoeling (nog eens onderstreept in hoofdstuk 15, getekend door besnijdenis in hoofdstuk 17 en herhaald aan Izaak en Jakob in de verhalen erna) is om met zijn zegen uit te komen bij alle volken op aarde, en zo de mensheid te herstellen tot zijn bedoeling.

Zo begint het eerste deel van een lang verhaal, verworteld in een volk en een plek, waarin God steeds verder zijn plan van renovatie uitwerkt. Hoe verder het verhaal uitrolt, hoe duidelijker het wordt dat het hele menselijk leven, zelfs de hele schepping, onder deze bedoeling valt. Je kan Gods beloften aan Abraham dan ook lezen in lijn met Genesis 1 – als een herbevestiging van zijn oorspronkelijke zegen over mannen en vrouwen.

Verbonden tussen God en zijn volk dienen als belangrijke mijlpalen in het bijbelverhaal, maar wat ze allemaal verbindt is het verbond met Abraham. Zoals Paulus in Galaten 3:29 zegt: “En omdat u Christus toebehoort, bent u nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte.” God blijft tot op vandaag bezig met renovatie.

Om te malen…

  1. Ga eens door het boek Genesis heen: Abraham en Sara, Izaak en Rebeka en Jakob en zijn familie. Denk er ’s over na hoe Gods beloften aan Abraham steeds weer bedreigd worden door van alles, maar hoe God trouw blijft aan zijn belofte, zorgt voor nageslacht en ten goede werkt, zelfs wanneer anderen kwaad in de zin hadden (Genesis 50:20). Wat heeft dat ons te zeggen?
  2. Zoek eens wat verwijzingen naar Abraham op in het Nieuwe Testament (bijvoorbeeld Galaten 3:15-18; Romeinen 4:13-16; Hebreeën 11:8-19). Hoe worden Gods beloften aan Abraham uiteindelijk vervult?
  3. Denk eens aan ‘gebroken’ mensen en situaties in je eigen leven of in het leven van familie, de kerk, je werk of andere landen – en bidt dat de God die op een dag “alles in de hemel en op aarde onder één hoofd bijeen brengt” (Efeze 1:10) een voorproefje geeft van die renovatie aan allen in nood.

8. Zo zijn we

Lamech nam twee vrouwen; de ene heette Ada, de andere Silla. Ada bracht Jabal ter wereld; hij werd de stamvader van hen die in tenten leven en vee houden.Zijn broer heette Jubal; hij werd de stamvader van allen die op de lier of de fluit spelen. Ook Silla bracht een zoon ter wereld, Tubal-Kaïn; hij was smid en werd de stamvader van allen die brons en ijzer bewerken. De zuster van Tubal-Kaïn heette Naäma. Lamech zei tegen zijn vrouwen:
‘Ada en Silla, hoor wat ik zeg!
Vrouwen van Lamech, luister naar mij!
Wie mij verwondt, die sla ik dood,
zelfs wie mij maar een striem toebrengt.
Kaïn wordt zevenmaal gewroken,
Lamech zevenenzeventigmaal.’
(Genesis 4:19-24)

Lamech laat iets zien van de spanning die in ons mensen bestaat. Hij geniet van Gods zegen van het huwelijk… maar hij staat ver af van Gods bedoeling van ‘een vlees’ (Genesis 2:24). Lamech gebruikt zijn door God gegeven creativiteit om liederen te maken… die trots zingen over zijn wraak en moord. Tegelijk verwekt hij drie zonen. Eentje houdt vee, eentje maakt muziek en de derde werkt met metaal. Zelfs deze familie draagt bij aan landbouw, kunst en technologie, passend bij de grote opdracht om de schepping te beheren.

Deze spanning is geen verassing voor je als je het goede van Gods schepping serieus neemt, maar tegelijk ook herkent dat we niet langer in Eden leven. We dragen nog steeds Gods beeld, maar het is beschadigd; de taken van beheren blijven, ook al zijn we verstoord. Dit alles betekent dat we niet te optimistisch moeten zijn, maar ook niet te pessimistisch over onszelf, andere mensen en de dingen die we oppakken – zoals landbouw, kunst en techniek. Door deze activiteiten laten we zien dat we naar Gods beeld gemaakt zijn, en tegelijk brengen we in praktijk: ons verzet tegen Hem, vervreemding van elkaar en uitbuiting van de geschapen wereld.

In zo’n omgeving – ten oosten van Eden (Genesis 4:16) – sloopt de zonde de economie niet, maar verstoort het door zelfzucht en gierigheid. De zonde vernietigt seksualiteit niet, maar verdraaid het op een schadelijke manier. De zonde maakt politiek niet overbodig, maar buigt het zo om dat het de belangen van de elite dient. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat twee van de belangrijkste onderdelen van ons leven – familie en werk – een bron van frustratie kunnen zijn, maar ook van vervulling; het kan een plek van pijn zijn of van genezing.
Deze ongehoorzaamheid van Eden veroorzaakt verwarde levens, en Genesis 4-11 tekent uit hoe die verwarring zich uitbreid als rimpelingen, wanneer je een steen in het water gooit. Het beweegt zich van individuen naar families naar de samenleving tot en met de hele schepping. En door al deze hoofdstukken heen zingt de dood, zoals God had gewaarschuwd.

Het vraagt een volgende stap in het verhaal om te gaan zien hoe het verzet en falen van mensen beantwoord wordt met Gods genade. Gods toewijding aan zijn wereld en aan de mensen blijft stevig staan. Dat wij zo zijn betekent niet dat we altijd zo zullen blijven.

Om te malen…

  1. Waar zou jij jezelf plaatsen op een lijn van aan de ene kant té optimistisch en aan de andere kant té pessimistisch? Hoe werkt dat dagelijks door in je leven en relaties?
  2. Bedenk een moment uit afgelopen dagen dat je de spanning hebt gevoeld: een film die je gezien hebt, een klus die je deed, een gesprek wat je had. Hoe kunnen we onderscheid maken tussen wat Gods scheppingswerk is en wat verstoord is door de zonde?
  3. Overdenk Matteüs 18:22, waar Jezus oproept tot uitgebreide vergeving (‘niet zeven maal, maar zeventig maal zeven’) – waarin je Lamech door hoort klinken.